Herken ze allemaal

Vogelbescherming helpt u bij het herkennen van uw tuinvogels

In aanloop naar de Nationale Tuinvogeltelling publiceert Vogelbescherming op deze pagina regelmatige nieuwe herkenningstips. Wanneer u zich inschrijft voor de Nationale Tuinvogeltelling, dan ontvangt u deze handige herkenningstips automatisch in uw mailbox. Zo bent u meteen goed voorbereid! Een overzicht van de top-25 van tuinvogels vindt u hier.

Dit keer: ringmus, heggenmus, vrouwtje vink en vrouwtje huismus

De ‘kleine bruine vogeltjes’ zijn best lastig om uit elkaar te houden, maar met wat praktische tips kan iedereen ze herkennen:

Heggenmus:

Is onopvallend, scharrelt als een muisje aan de randen van je tuin. Zal niet snel op een voedertafel of voedersilo zitten, maar ruimt de kruimeltjes van andere vogels op. Is bijna egaal grijs-bruin met een puntig snaveltje. Je zult zelden meer dan één of twee heggenmussen tegelijk zien.

Vrouwtje vink:

Kan het meest verward worden met vrouwtje huismus. Let vooral op de vleugel: de lichte streep (van buik richting rug) is het meest kenmerkende verschil tussen vrouwtje vink en vrouwtje huismus. In hun bewegingen zijn ze ook anders: vinken stappen over de grond, mussen hippen.

Vrouwtje huismus:

Ziet er ‘rommeliger’ uit dan vink, alsof ze een beetje smoezelig zijn. Heeft een duidelijker oogstreepje dan vinken. Huismussen zie je zelden in hun eentje, het zijn echte kolonievogels.

Ringmussen:

Mannetje en vrouwtje hebben hetzelfde verenpak. Opvallende witte wang en egaal, chocoladebruin petje. De naam ringmus komt van de witte ring in hun nek die bijna helemaal rond loopt.

Lees meer over heggenmussen, ringmussen, vinken en huismussen in de Vogelgids van Vogelbescherming.

Herkenningstips ringmus, heggenmus, vrouwtje vink en vrouwtje huismus (tekeningen van Elwin van der Kolk)

Herken de sijsjes, groenlingen en als bonus geelgorzen

Geen drijfsijsjes, maar échte sijsjes: wat een feest als een groepje van die zwart-gele sijsjes uw tuin aandoet, met hun schattige knerpende roepje. Vooral wanneer u elzen of berken in de tuin heeft staan, heeft u kans op sijsjes. Hun grotere familieleden de groenlingen komen 's winters graag op voedersilo's en voedertafels. Met als bonus die andere prachtige gele vogel: de geelgors.

Sijzen:

Een sijsje zult u ’s winters niet snel in z’n uppie zien. Sijzen zijn dan namelijk echte groepsdieren. In groepen of groepjes trekken ze langs loofsingels, met voorkeur voor elzen en berken. U zult ze misschien het eerst herkennen aan hun vluchtroepje (het geluid dat ze al vliegend maken): een vrolijk, dalend tsieluu of plié-è.

Omdat sijsjes zeer beweeglijk zijn, valt hun bonte verenpak op het eerste gezicht niet op. Maar heeft u de kans om ze wat rustiger te bekijken, dan ziet u het contrastrijke geel, groen, zwarte verenpak. Vooral volwassen mannetjes zijn bontgekleurd, met als meest opvallende kenmerk een stevige zwart-gele band op de vleugel.

Meer lezen over sijsjes.

Groenlingen:

Vergeleken met sijzen zijn groenlingen flinke knoeperds. Groenlingen zijn stevige vogels met een krachtige snavel en ogenschijnlijk een bol buikje. Ze bezoeken ’s winters graag voedertafels, samen met vinken. Een vrouwtje groenling is lastiger te herkennen dan het mannetje. Vrouwtjes zijn namelijk wat bruiner en egaal gekleurd. Mannetjes hebben een felgele streep langs hun vleugel. Bij vrouwtjes is die streep een stuk minder fel en opvallend. Let vooral op het formaat (een stukje groter dan vink of huismus) en de geelgroene grondkleur die ze onderscheid van vrouwtje vink of vrouwtje huismus.

Meer lezen over groenlingen.

Geelgorzen:

Woont u ten oosten van de lijn Groningen-Tilburg? Dan heeft u kans op geelgorzen in uw tuin. Het mannetje is duidelijk te herkennen aan zijn grotendeels gele kop en geel op onderdelen. Vrouwtjes en jonge vogels zijn minder duidelijk te herkennen, maar het vrouwtje heeft vaak nog veel (licht)geel. In alle kleden hebben geelgorzen opvallende roodbruine stuit en witte buitenste staartpennen. Geelgorzen zoeken hun voedsel vaak op de grond. ’s Winters trekken geelgorzen in groepjes rond.

Meer lezen over geelgorzen.

Handige herkenningstips voor sijsjes, groenlingen en geelgorzen:


Vogels in de kerstsfeer!

U zult ze misschien niet snel samen in uw tuin zien, maar vanwege het prachtige rood in hun verenpakje doen we dit keer herkenningstips voor goudvink, grote bonte specht en roodborst. Geniet ervan!

Grote bonte specht:

Zwart-witte vogel met een rode 'broek'. In de vlucht vallen de grote witte schoudervlekken op. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd. Deze ontbreekt bij het vrouwtje. Grote bonte spechten vliegen met een voor spechten kenmerkende golvende vlucht. Maar let op: als een vogel overvliegt tijdens uw half uurtje tellen mag hij tijdens de Tuinvogeltelling niet meegeteld worden. Grote bonte spechten komen in strenge winters vaker naar voedertafels en op vogelpindakaas dan in zachte winters.

Goudvink:

De goudvink leeft (anders dan andere vinken) niet in grote groepen maar in paren of kleine groepjes. Het zijn een beetje plompe vinken met een brede nek. Het mannetje heeft opvallende helder roodroze buik en wangen. Het vrouwtje is onopvallender beigegrijs gekleurd. Zowel het mannetje als het vrouwtje hebben een zwarte kap. Beide hebben een donkere staart, een witte stuit en vleugels met een opvallende witte vleugelstreep. U vindt goudvinken echter vooral door hun zachte fluitende roepje. Goudvinken zijn vogels van bossen, parken en tuinen die zich graag ophouden in de dekking. Ze blijven vaak minutenlang stil zitten.

Roodborst:

Roodborsten zijn vaak erg nieuwsgierig en goed van vertrouwen. Tegen soortgenoten zijn zowel mannetjes als vrouwtjes daarentegen agressief. Ze verdedigen zomers en 's winters fel hun territorium. Ze tonen daarbij de rode borstveren. Het roodborstje is één van de weinige vogels dat ook ’s winters zingt om zijn of haar territorium af te bakenen. Ze hebben een tikkende roep. Komt daar misschien het liedje ‘roodborstje tikt tegen het raam’ vandaan? Zang is waterig vlug en loopt hele toonladder op en af.

Infographic TVT kerst

Usutu-virus onder merels

Als er één stadsvogel veel in het nieuws was dit najaar, dan was het wel de merel. Vanwege een vervelende reden: het usutu-virus zorgde ervoor dat in september veel dode merels werden gevonden. Zijn er daardoor ook minder merels in de tuin te zien?

Daar lijkt het vooralsnog nog niet op. Deelnemers aan de Jaarrond Tuintelling zagen in de afgelopen maanden gemiddeld 2 springlevende merels in hun tuin, vergelijkbaar met de aantallen uit 2015. Merels zitten er dus nog volop.

Het is vast geen verrassing dat de merel het hele jaar in de top-3 van de Nationale Tuinvogeltelling staat. Je kunt bijna geen tuin voorbijgaan of er scharrelt er wel een rond. Onder de heg, in de struiken of druk alarmerend op de schutting. De spannende vraag is of u er meer dan twee gaat zien tijdens de Tuinvogeltelling. Dan heeft u een goeie mereltuin. En vergelijk dat eens met het aantal koolmezen. Want merel en koolmees strijden steevast om de tweede en derde plek in de top-10 van de Tuinvogeltelling.


Zanglijster, koperwiek en merel

In bijna alle tuinen in Nederland zit wel een paartje merels: mannetje in plechtig zwart pak en vrouwtje in schutkleur bruin. Zanglijsters zijn minder algemeen dan merels. U herkent ze het beste aan hun gevlekte borst. En nog iets minder algemeen zijn de koperwieken: wintergasten uit onder andere Scandinavië die u het beste kunt herkennen aan hun koperrode oksel.

Meer over de zanglijster:

Zanglijsters beginnen vaak al in januari uitbundig te zingen. De aanwezigheid van zanglijsters is ook af te leiden uit de aanwezigheid van een ‘smidse’: een steen met daaromheen stukgeslagen slakkenhuisjes. Meer over de zanglijster in de vogelgids van Vogelbescherming.

Meer over de koperwiek:

De oksels van koperwieken zijn koperrood gekleurd (vandaar zijn naam: ‘wiek’ is een oud woord voor vleugel). Deze koperrode oksels vallen goed op bij vliegende koperwieken. Ook opvallend is het geluid dat ze maken terwijl ze vliegen: een hoog, scherp “psrieee….”. Meer over de koperwiek in de vogelgids van Vogelbescherming.

Meer over de merel:

Bijna iedere tuin heeft wel een paartje ‘tuinmerels’. Merels hebben in de 20ste eeuw een geweldige opmars gemaakt toen ze onze tuinen ontdekten als geschikt leefgebied. Aan het begin van de 20ste eeuw waren merels nog schuwe bosvogels! Meer over de merel in de vogelgids van Vogelbescherming.

Infographic lijsters en merel Illustraties van Elwin van der Kolk

Roodborsten en merels

Wist u dat roodborstjes nauw verwant zijn aan merels? Ze behoren beide tot de vogelfamilie van de ‘turdidae’, oftewel de lijsterachtigen. In bijna iedere tuin zit tenminste één roodborst, vooral in de winter. Omdat het territoriale vogels zijn, zie je ze nooit in groepjes. Ook in de winter hebben ze een zogenaamd winterterritorium en jagen alle andere roodborsten hun terrein af. De roodborst staat steevast hoog in de Nationale Tuinvogel top-10. We zijn benieuwd op welke plek hij dit jaar eindigt!

Leuk weetje over roodborsten

De roodborst die in het voorjaar en zomer in uw tuin zijn niet dezelfde vogels als die in het winterhalfjaar op de voederplank plopt? Onze roodborsten overwinteren grotendeels in Zuid-Frankrijk tot in Marokko, maar vooral op het Iberisch Schiereiland. De overwinteraars komen uit Noord-Europa waar de winters gemiddeld veel strenger zijn dan bij ons. In het voorjaar verdwijnen de overwinteraars weer om plaats te maken voor de broedvogels.

Meer informatie over de verspreiding van roodborsten in Nederland vindt u op de website van Sovon Vogelonderzoek Nederland.


Koolmees en pimpelmees

Beide mezen zijn graag geziene gasten in uw wintertuin. De pimpelmees is wat kleiner dan de koolmees. Met z'n blauwe petje en felblauwe vleugels maakt hij een bontere indruk dan de koolmees. Koolmezen zijn het best te herkennen aan hun zwarte pet en zwarte 'stropdas'.

Leuke weetjes:

  • Koolmezen zijn de enige mezen met witte buitenste staartveren.
  • Pimpelmezen kennen per regio een andere zang.

Op de website van Vogelbescherming Nederland kunt u nog meer lezen over de herkenning van koolmezen en pimpelmezen.

Infographic koolmees en pimpelmees Illustraties van Elwin van der Kolk

Meer over de pimpelmees, een graag geziene tuinvogel

De pimpelmees is een van de 12 soorten van de Europese mezenfamilie en samen met de koolmees in ons land de meest algemene. Tijdens de vorige atlasperiode van Sovon (1998-2000) werd het aantal op 275.000-325.000 paren geschat, in de huidige atlasperiode lijkt het aantal licht gestegen, gezien ook de trend van de laatste jaren.

Veel tuintellers zullen tijdens de tellingen een of meer pimpelmezen turven. Meestal zijn het eenlingen of tweetallen in een gemengde groep met andere mezen. Begin oktober verscheen er een leuk filmpje op internet waarop te zien was dat er op een dag ruim 33.000 pimpelmezen langs Falsterbo trokken. Falsterbo is een beroemd trektelpunt in Zuid-Zweden. Op het filmpje lijken de pimpelmezen wel een zwerm muggen.

Uiteraard zijn we heel nieuwsgierig hoeveel pimpelmezen er dit jaar tijdens de Nationale Tuinvogeltelling geteld worden en op welke plaats hij dit jaar eindigt. Waarschijnlijk wordt het sowieso top-10, maar zou de pimpelmees de merel van de derde positie kunnen verstoten?

Tot slot nog een leuk weetje: hoe weet je dat er een sperwer in de buurt rondhangt? Luister naar het hoge alarmbelletje van een pimpelmees. Dan weet je dat die kleine  roofvogel aanwezig is. Ook andere vogels duiken op het moment dat ze een alarmerende pimpelmees horen meteen de struiken in, want het betekent: sperwergevaar!

 

Koolmees / Buiten-Beeld Koolmees (foto Buiten-beeld, Michel Geven)
Pimpelmees / Agami Pimpelmees (foto Agami, Wil Leurs)